Tag Archives: recensie

Vegetarische geschiedenis

Recensie van: Dirk-Jan Verdonk, Het dierloze gerecht. Een vegetarische geschiedenis van Nederland (Boom; Amsterdam 2009)
ISBN: 9789085067115 Prijs: €29,50

Op 10 december 2009 kondigde minister Cramer aan dat de officiële diners van het ministerie van VROM voortaan vegetarisch zullen zijn. Vegetarisme maakt onderdeel uit van de omschakeling naar een duurzamer voedselpatroon en de minister wil daarin het goede voorbeeld geven. Dat dieren geen rol lijken te spelen in Cramers plantaardige keuze valt op na lezing van Het dierloze gerecht waarop Dirk-Jan Verdonk in april 2009 aan de Universiteit Utrecht promoveerde. In zes casestudies, die een chronologische en thematische indeling verschaffen, behandelt Verdonk de verschillende motieven voor vegetarisme. Zijn onderzoek richt zich in het bijzonder op het denken over de relatie tussen mens en dier.

In de algemene historiografie is weinig aandacht voor vegetarisme. De biografen van Ferdinand Domela Nieuwenhuis, de eerste casestudy, schreven het vegetarisme van de socialist eenvoudigweg toe aan soberheid en solidariteit met arbeiders die zich geen vlees konden permitteren. Verdonk laat echter zien dat dieren onderdeel uitmaakten van Domela’s conceptie van een rechtvaardige wereld. Hoe diepgeworteld zijn principes waren, wordt duidelijk uit hun effect op Domela’s sociale relaties in een tijd dat vegetarisme nog totaal onbekend was. Na 1880 werd vegetarisme in Nederland algemener, bijvoorbeeld onder christen-anarchisten. Zij stonden, eind 19e eeuw, een maatschappij voor gebaseerd op het ‘beginsel der liefde’ en waren tegen vivisectie en de consumptie van dierlijke producten.

De trots van vegetarisch Nederland was het succesvolle hotel-restaurant Pomona dat zich in 1913 in Den Haag vestigde. Aan de samenstelling van de menukaart gingen vele jaren van discussie over voedingsleer vooraf. Voor de vele gasten die nog niet voor het vegetarisme gewonnen waren, had het restaurant “fopworstjes”. Ook elders in Nederland werden vegetarische restaurants, pensions en sanatoria geopend en steeds meer reguliere restaurants hadden een vegetarische optie op de kaart. De vegetarische beweging vaarde wel bij de crisis en de soberheid van de jaren dertig, maar dat werkte uiteindelijk contraproductief. De vleesloze maaltijd werd met de oorlog geassocieerd; het ethische aspect van vegetarisme was duidelijk nog niet diep geworteld. De sluiting van Pomona tijdens de Tweede Wereldoorlog markeerde het einde van wat Verdonk “de eerste vegetarische golf” noemt.

Als vierde casestudy dient de visie op vlees van de protestgeneratie. Na de oorlog groeide de vee-industrie mee met de economie. De consumptie van dierlijke proteïnes was vanaf 1950 voor het eerst groter dan die van plantaardige. Tegelijk werd duidelijk dat het wereldvoedselprobleem daar niet bij gebaat was en dat de pesticiden van de reguliere landbouw schadelijk waren voor mens en dier. De thema’s werden opgepikt door Provo, maar voor een vegetarische levensstijl was die te tegendraads. Roel van Duijn begon in 1969 de kabouterbeweging die pleitte voor harmonie tussen mens en natuur en distributiepunten voor biologisch-dynamische producten introduceerde. Het netwerk van winkeltjes en bakkers die “kabouterbroden” verkochten, breidde zich snel uit. Over de verkoop van vlees verschilden de meningen, maar over het algemeen zagen de kabouters vlees als het noodzakelijke bijproduct van zuivelproductie. Desalniettemin zorgde de beweging voor een mentaliteitsomslag ten aanzien van voeding waarbij vegetarisme alleen te winnen had.

Tot de “goedvoedselbeweging” drong langzaam maar zeker door dat het leven van dieren in de vee-industrie in korte tijd ingrijpend veranderd was. In 1950 legde een kip 180 eieren per jaar; in 1980 waren dat er 280. De levensverwachting van vee daalde drastisch. Door antibiotica konden meer dieren op een kleinere oppervlakte worden gehouden en werden ze niet langer naar buiten gelaten. Slachterijen mechaniseerden zodat ze 11.000 dieren per uur konden verwerken. Trots vertoonde de vee-industrie de behaalde resultaten op landbouwmanifestaties waarop jonge vegetariërs zich organiseerden in organisaties als Lekker Dier. Ze voerden acties en verstrekten via de media informatie over de misstanden in de vee-industrie. Hoewel veel onderzoek in dienst stond van de landbouw, nam ook de kritiek uit wetenschappelijke hoek toe en maakten disciplines als dierpsychologie en ethologie opgang. En al namen onderzoekers geen moreel standpunt in, het publiek deed dat wel. Het aantal vegetariërs in Nederland nam toe van 10.000 in het midden van de jaren zestig tot zeker 100.000 in 1980. De landbouwsector begreep aanvankelijk weinig van de aantijgingen van dierenmishandeling en beschouwde het scharrelei, dat in 1975 de weg naar de supermarkt vond, als “gevaarlijk precedent”. Maar de consument begreep dierenleed evenmin: dierenwelzijn werd niet gedefinieerd met wat het beste was voor de dieren, maar hoe de vee-industrie er prettig uit zag voor consumenten. De overheid werkte niet mee om ethische richtlijnen te introduceren: integendeel, ze stimuleerde en subsidieerde de vee-industrie.

Omdat ludieke acties ten bate van dierenwelzijn in vee-industrie, jacht en proefdierlaboratoria hadden gefaald, kozen activisten vaker voor een niet geheel legale benadering. Tijdens de eerste officiële actie van het Dierenbevrijdingsfront in 1979 werden 12 honden bevrijd waarop TNO experimenten uitvoerde. De acties konden aanvankelijk op brede maatschappelijke steun rekenen. Dat veranderde toen, vanaf 2000, steeds vaker mensen, die direct of indirect verantwoordelijk waren voor dierenleed, in hun persoonlijke levenssfeer werden bedreigd. Het Dierenbevrijdingsfront had zich inmiddels omgevormd tot een verzamelnaam voor activisten die los van elkaar maar met een gedeeld ideaal sabotage pleegden. Infiltreren kon de overheid niet, onderhandelen met een centrale instantie evenmin en dankzij internet werd het frustreren van informatiekanalen lastig. Het lag voor de hand de voedingsbodem voor radicalisme weg te halen en de exploitatie van dieren aan te pakken, maar de overheid prefereerde een beleid waarbij ze dierenactivisten, ook als ze legaal opereerden, als terroristen presenteerde.

Het radicale dierenactivisme, ontbrand door de intensivering van de vee-industrie en een overheid wars van kritiek daarop, kwam voort uit dezelfde sentimenten over de relatie tussen mens en dier die vegetariërs eind 19e eeuw koesterden. Verdonk oordeelt echter dat het radicale dierenactivisme heeft gefaald omdat het de hele dierenbescherming schaadde. Het is de eerste steek die hij laat vallen in een boek dat verder het toonbeeld is van een goed proefschrift: duidelijk afgebakend, uitstekend onderzocht en boeiend geschreven. Met een voorganger als Verdonk is de auteur van een volgende vegetarische geschiedenis van Nederland niet te benijden.

Deze recensie is verschenen in het Tijdschrift voor Geschiedenis 123 (2010).

Advertisements
Tagged , , ,