Tag Archives: integratie

Wat een oudere monsieur te zeggen had

“Hoe komt het dat die hond maar twee poten heeft? Heeft ‘ie een ongeluk gehad? Mon dieu, is ‘ie mishandeld?! Waar, hier in Frankrijk? Oh, in China. Klotevolk, die Chinezen. Niet dat de Fransen het beter doen (maakt een gebaar alsof hij een keel doorsnijdt). De Fransen zijn con, stom. Ik ben een Amerikaan. Nou ja, eigenlijk ben ik Frans, maar in mijn hart ben ik een Amerikaan. Mijn vrouw is Frans. Ze zit bij de dokter (hij wijst in de richting van het medisch centrum). Ze is 97 en nog steeds kwiek. Haar moeder stierf op honderdenvier-jarige leeftijd. Dus ik moet dus nog even volhouden! Ik heb aan de zijde van De Gaulle gevochten tijdens de Tweede Wereldoorlog. Maar dat interesseert je natuurlijk geen lor. Oh, ben je historicus? De meeste jonge mensen zijn niet meer geïnteresseerd in geschiedenis. Ik liet vroeger aan de mensen mijn foto’s zien, foto’s uit de tijd dat ik in Amerika was. Maar dat doe ik niet meer, de mensen geven er geen snars om. Ik ben met iedereen op de foto geweest. Met die kerel van het Witte Huis, hoe heet ‘ie ook al weer… Eisenhower. Die fils de salope, die klootzak… die wilde Frankrijk innemen! Eisenhower wilde Frankrijk een provincie van Amerika maken! Wist je dat niet? Nee, dan die andere kerel, die man die is doodgeschoten… Kom, hoe heet ‘ie nou… Oh ja, Kennedy. Dat was nog eens een grote president. Het is verschrikkelijk dat hij werd vermoord (begint te huilen). Ik wacht op mijn vrouw. Ze is bij de dokter. Als ze een afspraak heeft, ga ik altijd mee en maak hier een wandelingetje. Oh, je zal zien dat ze helemaal niets mankeert. Ze is niet con zoals de andere Fransen. De Fransen doen tegenwoordig niets anders dan klagen. In het medisch centrum waren de verpleegsters aan het klagen over hun werk. Dat ze er niets aan vinden. Dus ik zei, waarom zoeken jullie geen andere baan? Maar dat kost ze teveel moeite. Jonge mensen weten niet meer dat ze moeite voor iets moeten doen. Niet alles komt je aanwaaien in het leven. Waar komt u vandaan? Uit Nederland? Nederlanders zijn geen slechte mensen. En verder naar het noorden, hoe heet die plek ook al weer… Oh ja, Scandinavië. Ook niet verkeerd. Maar ik houd niet van Duitsers. Ik wou dat de president iets tegen de Duitsers zou doen. Hoe heet onze president ook al weer? Oh ja, Sarcozy. Geen slechte man. Hij is niets vergeleken met Kennedy, natuurlijk, maar hij is geen slechte kerel. Goh, wat heb je een leuke honden. Ik had ook een hond, maar die is gestorven. Honden behandelen je vaak beter dan mensen, n’est-ce pas? Behalve mijn vrouw. Die is bij de dokter. Ik ben vierennegentig. Dat zou je toch niet zeggen? Ik leerde haar kennen toen ik negentien was. Ze is formidable, mijn vrouw. Ik heb geluk met haar.”

Advertisements
Tagged

De rauwe werkelijkheid van leven in Frankrijk

Het overkomt me geregeld dat ik in mijn dorp een Nederlandse toerist tegen het lijf loop. Mijn hond en haar rolstoel leiden vaak tot een praatje. “Op welke camping ik sta? Nou, ik woon hier. Ja, het hele jaar door.” Meestal volgt hierop een jaloerse blik. Eenmaal terug in Nederland, met Erwin Krol op de tv en hagelslag op de bam, vraagt de toerist zich af of het allemaal wel zo chouette is om permanent in la douce France te wonen. Hoog tijd dus om eens een boekje open te doen over de rauwe werkelijkheid van het godinnenleven in Frankrijk.

Het weer in Zuid-Frankrijk, moet ik toegeven, is geen onverdeeld genoegen. Van maart tot en met oktober sleur ik tuinstoelen van schaduwplek naar schaduwplek. Dikwijls worden honden en ik gedwongen verkoeling te zoeken in de rivier, zo’n dertig meter van ons huis. Het strandseizoen loopt tot ver in de winter – in november moest ik nog in bikini aan de Middellandse Zee liggen. In december komt er dan eindelijk verkoeling, maar voordat je je handschoenen goed en wel uit de mottenballen hebt gehaald, verbrandt je neus alsweer in de januarizon. Pestweer.

Fransen hebben de reputatie arrogant te zijn en niet van vreemdelingen te houden. Was dat maar zo. Onze buurvrouw ter rechter zijde nodigt ons uit voor uitstapjes naar de bloemenmarkt van Nimes, de buurvrouw ter linker zijde werpt kroppen sla, geteeld in eigen tuin, tegen ons keukenraam. Verderop in onze straat wonen twee vriendinnen die dag en nacht klaarstaan met hun petit conseil (goede raad), rode wijn en lessen in Franse scheldwoorden. Wagen we ons buiten onze straat, dan nodigen dorpsgenoten ons uit voor een maaltijd van sanglier (wilde zwijn). In het postkantoor wensen wildvreemden me een goede dag en vragen of het weer me bevalt. bij logees die onze honden uitlaten wordt door deze en gene bezorgd naar onze welzijn geinformeerd. Ze lijken geen moment zonder een vriendelijk woord te kunnen, die Fransen.

De trots van Fransen over hun nationale keuken leidt bij veel toeristen tot frustraties. Het stokbrood smaakt niet zoals in Nederland, constateerde een logee bijvoorbeeld teleurgesteld. Vegetarische opties zijn op de meeste menukaarten van restaurants te vinden, maar wie geen zuivel eet en wie geen alcohol drinkt, krijgt het erg moeilijk. En Fransen worden nog beloond voor hun dieet ook. De Franse maaltijd is vet en schaadt de gezondheid, luidt het adagium. Maar Fransen leiden minder vaak aan hart- en vaatziekten dan andere nationaliteiten. Dat wordt geweten aan hun consumptie van rode wijn – vijf maal zo hoog als in, bijvoorbeeld, het Verenigd Koninkrijk. Zowel de alcohol als de polyfenolen in rode wijn blijken bloedvaten gezond te houden. Het is een hele opgave om, voor het behoud van mijn gezondheid, lokale kaasjes en crème brûlée weg te spoelen met rode wijn.

Ik forens tussen Anduze en Montpellier en dagelijks raas ik zo’n drie uur over dezelfde départemantale. Ik zie de zon opkomen en ‘s avonds ondergaan; ik zie de wijnranken volgroeien en geoogst worden. Valt de schemering, dan duiken langs de kant van de weg de billen van wilde zwijnen op. In kleine dorpjes passeer ik kinderen die wachten op hun schoolbus. En hoe ik ook mijn best doe – de sleur wil maar niet in mijn leven komen hier. Het lijkt erop dat mijn leven in Frankrijk een lange vakantie wordt. Nom de dieu, waar ben ik aan begonnen?

Tagged

Ce chien – bekend worden in een Frans dorp

L‘intégration is niet makkelijk als je, zoals ik, gespeend bent van kennis over de meest wezenlijke aspecten van Franse cultuur. Zo kocht ik mijn eerste baguette bij de boulangerie zonder voorkeur te tonen voor een meer donker dan wel licht gebakken brood. Quel blunder. Het aanbod om wijn voor te proeven sloeg ik af omdat de druiven van biologische teelt waren en het brouwsel dus toch wel goed zal smaken, dacht ik. Mon Dieu! En ik liet me vertederen door mijn bejaarde buurman wiens konijn kleintjes had gekregen – tot ik me realiseerde dat zowel moeder Pluis als haar negen Nijntjes voor de stoofpot bedoeld waren. Tiens!

Een groene, gezonde levensstijl is een extra uitdaging voor wie op wil gaan in de Franse eenheid. In het café bestel ik ‘s avonds om elf uur een double deca (grote cafeïnevrije koffie) in plaats van de meer fatsoenlijke café noir en om half vier ‘s middags het mineraalwater Perrier in plaats van Pastis (minimaal 40% alcohol). Op espadrilles sloffen kan ik niet – de canvas schoen uit de Pyreneeën wordt tegenwoordig in Vietnam gemaakt en zijn dus niet goed voor mijn ecologische voetafdruk. Contacten leggen bij de charcuterie is er als vegetarier niet bij.

Goddank heb ik een hond zonder achterpoten. “Regarde ce petit chien!” In Frankrijk zijn alle honden kleiner dan een bouvier meteen petit. “La pauvre bête,” het arme beest, “qu’est-ce qu’il a eu, ce chien?” vraagt elk tweede persoon die ik tegenkom op weg naar het park. Mijn dorpsgenoten dwingen me de biografie van mijn hond steeds te herhalen en corrigeren mijn taalgebruik. Mijn hond heeft geen jambes maar pattes (poten). Haar naam luidt hier Sucre en niet Sugar. Ze doet haar behoefte pareil, zoals andere honden. En ze is erg content (tevreden) met haar chariot (wagentje). Bobo chien heeft niets te maken met Sugars neiging de baas te spelen over honden (en mensen), maar is kindertaal (“hondje heeft au”).

Dankzij mijn hond ben ik binnen luttele dagen bekend van de Rue de la République tot de Place de Notre Dame. “Waar is uw chien handicapé?” willen wildvreemden weten als ik me op straat begeef zonder Sugar. Bij de crêperie maakt de kok met liefde een speciale pannekoek voor me als Sugar op zijn terras kuiert, want ze is goed voor de klandizie. De maître van het café groet me luidruchtig als ik tijdens mijn avondwandeling zijn volle terras passeer. Regelmatig staat een van zijn beschonken gasten op, wijst wankelend op m’n hond en betuigt gesmoord zijn medeleven (“Ça me touche… ça me touche!”). Zelfs tijdens een gemeenteraadsvergadering is Sugar ter sprake gekomen. “Jij bent beroemder in Anduze dan wij,” concluderen buren jaloers.

Intussen laat Sugar het zich allemaal welgevallen. Thuis brengt ze haar dagen liefst luierend door. Op straat houdt ze weinig rekening met andere weggebruikers en laat zich door geen claxon opjagen. Alleen wanneer ze een soortgenoot van de andere sekse in het vizier krijgt, wil ze nog wel eens een sprintje trekken. Ze schuimt het dorp af op zoek naar exclusieve, schimmelige hapjes. Op de mooiste plekjes in de natuur laat ze haar afval achter. Die hond van mij is duidelijk goed geïntegreerd in Frankrijk.

Tagged