Category Archives: Family & friends

Hoarding

When I turned eight my grandfather gave me, as a present, hundreds of used train tickets. I watched, astonished, how he tenderly rummaged the collection, recalling the purpose of various journeys. The tickets were clearly of great value to him.

My grandfather was a hoarder: he collected and was unable to discard stuff even if it were worthless things other people would throw away. His five sons have the same tendency. I remember visiting one uncle’s house: small lanes meandered between mountains of stuff. My mother prevented clutter in our house by throwing stuff out when my father wasn’t around. Only one uncle, who went into therapy, managed to rid himself of the disorder.

It’s hard to pinpoint the difference between compulsive hoarding and owning a lot of stuff. My father couldn’t pass an open trash container without taking a peek inside, and would often take out things that he thought he could use. He would also pick up things from the street like rubber bands and lost gloves. My father had great excuses for keeping stuff, like a broken pencil that was a bit like the one of his late mother. He sometimes tried to organize, but would get lost in his boxes and suitcases filled with paper. Processing information seemed to be a challenge. Maybe that’s why my father wrote down everything – names, book titles, phone numbers, ideas, summaries of conversations. He had tens of thousands of these notes: too many to be of use, but he couldn’t part with them.

My father’s passion for collecting stuff frightened and embarrassed me when I was young. Only later I realized that the disorder was much stronger than him. To understand the way he gave meaning to things, I used the 74 gloves he had collected in a project for art school. Since his death I sometimes pick up things from the street in his remembrance, like a nice chestnut or a button. But once I get home, I throw them away. Just to make sure they won’t turn into weird birthday presents.

Advertisements
Tagged , ,

Troost

Mijn vader is niet meer. Hij viel van zijn fiets en overleed anderhalve dag later aan een hersenbloeding. Totale verbijstering en immens verdriet volgden. En anekdotes, want Pieter was, op z’n zachtst gezegd, markant: een verstrooide classicus, wars van conventies en met een onnavolgbaar gevoel voor humor. Hij kon ook brutaal en lastig zijn, dat liet ik hem dan ook weten. Daar stond tegenover dat ik zijn eigenzinnigheid enorm bewonderde. En dat heb ik hem niet genoeg laten merken.

Medeleven wist me niet altijd te bemoedigen. “Hij is in het harnas gestorven”. Inderdaad, Pieter was niet bepaald klaar voor de dood. Hij was met vanalles bezig, van een vertaling van Galenus tot een Leids Kroegenboek. Hij genoot van het leven. “Een lijdensweg is hem bespaard gebleven”. Al zou het gepaard zijn gegaan met pijn of ongemakken, ik had hem graag nog een tijdje in mijn leven gehad. Daar ben ik egoïstisch genoeg voor.

Andere troost sloeg als een warme deken om me heen. Van mijn broer, die mijn vader in het ziekenhuis verliet om mij af te halen van Schiphol. Van mijn moeder, die me een prachtige ketting gaf, door Pieter ontworpen. Van studiegenoten, die ik in geen jaren meer sprak, maar wel naar de uitvaart kwamen. Van vrienden, die gewoon zeiden dat het klote was en bier met me gingen drinken. En bovenal van Geliefde, die mijn hand pakte en me door puinhopen van verdriet loodst.

Zoals elke nacht droomde ik vannacht over Pieter. De setting was een bijeenkomst van Frons, een club van Leidse classici. Met mijn moeder luisterde ik naar sprekers die herinneringen ophaalden aan Pieter en hem roemden. Plotseling stond mijn dode vader tussen ons. Hij zei het te betreuren dat je moest sterven om zoveel positiefs over jezelf te horen. Mijn moeder onderbrak hem en begon een lang betoog. Bang dat ik de kans niet meer zou krijgen, zei ik dwars door haar verhaal en ten overstaan van het hele publiek: “papa, ik hou van je”. Mijn vader keek me aan. “Dat weet ik,” zei hij, “dat weet ik”.

Tagged ,