Bij het overlijden van mijn oma

In het Limburgse dorp Gulpen staat een hervormde kerk. Het catert in dit katholieke deel van Nederland vooral voor vakantiegangers en heet dan ook ‘toeristenkerk’. In de jaren voor zijn emeritaat diende daar mijn grootvader Piet die, vanwege zijn politieke voorkeur, bekend stond als ‘de rode dominee’. Het beviel hem zo goed in Gulpen dat hij er is blijven wonen.

Na zijn dood in 1990 zette zijn vrouw Rie, mijn oma, haar werkzaamheden in het dorp en de regio onverminderd energiek door. Ze was ondermeer actief in het vredeswerk van het IKV, het Interkerkelijk Verband, en ijverde voor een monument voor gedeporteerde joodse inwoners van Gulpen. Daarnaast was ze de  ‘sergeant’ van de familie. Die titel eigende ze zich toe toen de eerste vrouw van mijn grootvader stierf en hij hertrouwde met Rie. De zorg voor zijn zes zonen uit zijn eerste huwelijk, in de leeftijd van vier tot zeventien jaar, kreeg ze erbij. In het domineesgezin voerde ze zonder aarzeling orde, regelmaat en reinheid in, om de woorden van mijn oom aan te halen. Over het doen en laten van de jongens gaf ze, ook nadat ze het huis hadden verlaten, gevraagd en ongevraagd haar mening. Over emoties sprak ze zelden, ze gaf de voorkeur aan politieke en maatschappelijke onderwerpen. Ook daarover had ze een uitgesproken opinie. Rie was klein, kranig en kritisch.

De toeristenkerk van Gulpen werd het actiecentrum voor de maatschappelijke bemoeienis van mijn grootmoeder. Groot was haar ontsteltenis toen de dienende dominee bij zijn vertrek dit jaar niet vervangen bleek te worden. Op zijn afscheidsreceptie kreeg Rie een beroerte. Ze had altijd zelfstandig gewoond en wilde niet naar een tehuis. Dus weigerde Rie revalidatie, medicijnen en zelfs een infuus. ‘Ik heb een voltooid leven,’ zei ze en nodigde kinderen en kleinkinderen uit om afscheid te komen nemen. Ook ik haastte me, met auto, bus, trein en vliegtuig, naar haar toe. Maar terwijl ik landde, vertrok Rie op haar eigen reis. Ik zocht haar op in het ziekenhuis waar ze de laatste weken van haar leven, met veel zorg en respect voor haar wensen, werd verpleegd. Ze lag verstild in een groot ziekenhuisbed, in een pyjama met de tekst wild strawberries en met een Koptisch kruisje in haar handen. Eindelijk uitgeëngageerd.

Was ze nog in leven geweest, dan had ze me na dit afscheid terug naar mijn baan in Frankrijk gestuurd. Maar ik boekte mijn terugvlucht om zodat ik ook bij de begrafenis kon zijn. Niet voor haar, maar voor mijn vader, die met zijn tweede moeder een gecompliceerde relatie had. Hoe de vork in de steel zat, begreep ik toen ik samen met mijn vader, ooms, tantes, neven en nichten deelnam aan de rouwdienst. Temidden van hen was mijn vader thuis, niet langer de vreemde vogel die hij elders is. En temidden van hen huilde hij, om zoveel meer dan dat overlijden.

Zulke dingen beleef je nou nooit in San Francisco, Taipei of Aix-en-Provence. Daarvoor moet je zijn in een toeristenkerk in Gulpen.

Advertisements
Tagged
%d bloggers like this: