Een zomerbaan in Frankrijk 2

Ik kon mijn geluk niet op toen ik, student aan een kunstacademie en op zoek naar een zomerbaan, werd gebeld door een designer. Voorheen in dienst van Dior was hij op zoek naar iemand die hem kon assisteren in zijn atelier. Zijn hippe website schiep hoge verwachtingen en ik fantaseerde al hoe de designer me zou voorstellen aan zijn vele kunstminnende (en kunstkopende) vrienden. Het atelier bleek een snoezig winkeltje en mijn taken stelden weinig voor. Ik moest zijn designs verkopen: kaftans, deurstoppers gevuld met lavendel en kussentjes gemaakt van bont. Echt bont? Jawel, het zijdezachte bont van de possum, het Australische buideldiertje dat door de mens is geïntroduceerd in delen van de wereld waar het een pest is geworden. Was ik wanhopig genoeg om de huid van dode beesten te verkopen? Of waren er alternatieven?

In het zuidelijke deel van Frankrijk waar ik woon, is de werkeloosheid hoog. De Languedoc-Roussillon heeft geen industrie zoals Nord-Pas-de-Calais en Rhônes-Alpes in het noorden en oosten van het land. Het trekt geen rijke gepensioneerden zoals Provence-Alpes-Côtes d’Azur. En hoewel de regio goede alcoholische versnaperingen produceert, heeft het niet de reputatie van Bordeaux of Champagne-Ardennes. Sterker nog: de Languedoc-Roussillon heeft een van de laagste BBPs (Bruto Binnenlands Producten) van heel Frankrijk.

Een van de weinige florissante sectoren in de regio is het toerisme. Kleumende Noord-Europeanen komen zich elke zomer warmen aan de Franse zon. De helft van de toeristen in Frankrijk zijn afkomstig uit Duitsland, België en Groot-Brittannië. Nederlanders zijn goed voor nog eens tien procent van de zomergasten. De toeristen hebben een verblijfplaats, voer en vermaak nodig. De meesten van hen spreken geen woord Frans en mijn nieuwe landgenoten blinken niet uit in hun kennis van vreemde talen. Ik besloot daarom mijn kennis van het Nederlands, Duits en Engels aan te prijzen en bovendien mijn bekwaamheid in het Mandarijn en Jiddisch (je weet maar nooit). Aangezien ik incapabel blijk om met de formele Franse arbeidsinstanties om te gaan, adverteerde ik op sites voor buitenlanders in Frankrijk en stuurde ik een email naar campings rond ons dorp.

Tot mijn verrassing stroomden de baanaanbiedingen binnen. Een Centerparcs-achtige onderneming zocht iemand die animatie voor d’r gasten kon organiseren. Had ik er bezwaar tegen mijn zomer karaokend door te brengen? Een nudistencamping was dringend op zoek naar een Nederlandstalige kinderoppas voor ongeveer dertig kinderen, zeven dagen per week, en beloofde gratis accommodatie. Een andere camping wilde iemand die ijsjes kon verkopen en, tegelijkertijd, zwemmende kinderen in de gaten kon houden (een reddingsbrevet was niet vereist). Er is werk in de Languadoc-Roussillon, bleek, voor non-francofonen die wat verantwoordelijkheid aan kunnen.

Een baan in het toerisme zou me verre van bont houden, en bovendien toegang bieden tot het Franse ziekenfonds. Dat zou geen overbodige luxe zijn als ik zou komen te werken met minderjarige raddraaiers en hun door alcohol vergiftigde ouders. En in penibele situaties kan ik net doen of ik bewusteloos ben. Possum spelen, noemen ze die strategie in Australië.

Advertisements
Tagged ,
%d bloggers like this: